Handels- en Ondernemingsrecht

Onwetendheid grond voor bestuurdersaansprakelijkheid


Volgens vaste rechtspraak kan een bestuurder van een rechtspersoon die zodanig onzorgvuldig tegenover een derde partij handelt dat hem persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, aansprakelijk worden gesteld op grond van onrechtmatige daad. Dat een passieve houding ook grond kan zijn voor externe aansprakelijkheid blijkt uit de volgende recente uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage. In deze kwestie is een echtgenote toegetreden als bestuurder in een stichting die was opgericht door haar man. Vervolgens is door de stichting een ziekteverzuimverzekering afgesloten voor één werknemer. Enkele dagen na het afsluiten van voornoemde verzekering is de man afgetreden als bestuurder en bij de stichting in loondienst getreden. Nadat de verzekeringspolis aan de stichting was verstrekt, heeft de stichting de man ziek gemeld en verzocht om een uitkering. De verzekeraar heeft een bedrag van € 77.680,91 aan de stichting uitgekeerd.

 

Voor zover van belang, de man is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens oplichting. Er werd aangenomen dat de man, vlak nadat hij als bestuurder was afgetreden, zich wederrechtelijk heeft bevoordeeld door de valse hoedanigheid van werknemer aan te nemen en door het opsturen van stukken waaruit bleek dat hij een bepaald salaris zou ontvangen, op basis waarvan de verzekeraar uitkering heeft gedaan.

 

Naar aanleiding van voornoemde gebeurtenissen heeft de rechtbank geoordeeld dat de man en de vrouw onrechtmatig jegens de verzekeraar hebben gehandeld. De vrouw heeft tegen het oordeel van de rechtbank, dat zij haar bestuurstaak onzorgvuldig jegens de verzekeraar zou hebben uitgeoefend, hoger beroep ingesteld, stellende dat haar man degene was geweest die alles had geregeld. Het hof komt echter tot het oordeel dat de vrouw haar taak wel onzorgvuldig heeft uitgevoerd en haar een ernstig verwijt kan worden gemaakt doordat zij zich passief heeft opgesteld. Immers het bestuur van een stichting is op grond van de wet, artikel 2:291 lid 1 BW, belast met besturen. Dit betekent dus ook dat het bestuur de stichting de bestuurstaak niet onvervuld mag laten en toe moet zien op de dagelijkse gang van zaken, ook ten aanzien van de vermogenstoestand van de stichting. Het verwaarlozen van deze taak kan onder omstandigheden onzorgvuldig zijn en leiden tot aansprakelijkheid indien er een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof achtte het hierbij van belang dat de vrouw haar bestuurstaak volledig aan haar man had toevertrouwd, wat  maakte dat zij haar bestuurstaak niet behoren had vervuld.

 

Voorts bleek de vrouw tijdens het verhoor, in het kader van de opsporing van de werknemersfraude, niet op de hoogte zijn van de afgesloten ziekengeldverzekering en de uitkering daarvan. Dit benadrukte haar passieve houding als bestuurder van de stichting. Door deze houding had zij als bestuurder geen overzicht over de gang van zaken binnen de stichting, de misstanden konden dan ook ‘te makkelijk’ plaatsvinden. Het feit of zij ook daadwerkelijk op hoogte was van deze misstanden doet volgens het hof niet ter zake. Wat er toe doet, is dat zij het als bestuurder behoorde te weten.


Gerechtshof 's-Gravenhage, 1 juni 2010, LJN BM6020