“Was hij nu wel of niet wakker?”
Peter Reitsma was eerst marine-officier (een defensie-achtergrond die hij toevalligerwijze gemeen heeft met een andere advocaat bij OMVR) en werd in 1998 strafrechtadvocaat. Als een van de partners is hij verantwoordelijk voor het dagelijkse management van het kantoor in Nijkerk.
Reitsma houdt zich bezig met het strafrecht in brede zin: dat wil zeggen het ‘commune’ strafrecht, dus bijvoorbeeld diefstal, gewelds- en verkeerszaken, maar ook militair- en economisch strafrecht, waaronder overtredingen van economische delicten (bijvoorbeeld van de Hinderwet). Naast zijn advocatenpraktijk bekleedt hij verschillende nevenfuncties, waaronder het voorzitterschap van de vereniging van militair strafrechtadvocaten. Reitsma zit ook in het rechtbankoverleg, waarin hij praat met ‘zittende’ (rechters) en ‘staande’ (openbaar ministerie) magistratuur over voorzieningen voor verdachten.
Hij is niet zonder zorg over recente ontwikkelingen in het strafrecht. Reitsma: Ik zie dat het Openbaar Ministerie zich steeds meer opstelt als crime fighter. Het is naar mijn overtuiging belangrijk dat het OM blijft werken binnen het stelsel van checks & balances van de rechtstaat. Dat houdt enerzijds in dat wij er als samenleving natuurlijk belang bij hebben dat misdaad of onwenselijk gedrag niet onbestraft blijft, maar anderzijds dat verdachten aanspraak maken op fair trial. Onderschat niet dat de overheid ontzettend machtig is. Ik zie in mijn praktijk dat de groep mensen die met het strafrecht in aanraking komt groot is. Het uitgangspunt van de wet is en blijft, volkomen terecht, dat iemand onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen. Dat legt een zware plicht op het OM en dat OM moet dus niet marchanderen met de regels maar blijven binnen de hem toebedeelde speelruimte.
Zonder populistisch te willen zijn, merk ik in de praktijk dat de grenzen daarvan steeds meer worden opgezocht en soms worden overschreden. Onlangs boekte Reitsma een mooi succes, waarbij een cliënt in hoger beroep werd vrijgesproken: Dit was nu een zaak, waarbij wij er hard tegenaan zijn gegaan en geen middel onbenut hebben gelaten. Het ging om een beroeps-onderofficier, een sergeant, die dodelijk vermoeid na een aantal operaties in Uruzgan, tijdens zijn wacht in slaap was gevallen. Hij werd gewekt om de wacht over te nemen, maar viel – vermoeid als hij was – direct daarna weer in slaap, waarna hem door zijn commandant overtreding van een dienstvoorschrift werd verweten. Wij vonden dat verwijt evident onredelijk en hebben ons op het standpunt gesteld dat niet te bewijzen viel dat de sergeant ooit echt wakker was geweest. Ook stelden wij dat een voorwaarde voor het overnemen van de wacht is dat je dat staande doet, d.w.z. in verticale positie. Als de betrokkene - zoals in dit geval - ligt, dan is dus aan die voorwaarde niet voldaan.
Dit was een zaak die met de nodige emotie was omgeven, omdat mijn cliënt zich terecht in het nauw gebracht voelde, terwijl hij kort daarvoor bij wijze van spreken zijn leven had gewaagd en zich daarna echt niet bewust was geweest van de wisseling van de wacht. De zaal van het Gerechtshof zat dan ook vol met sympathisanten. Je vraagt je dus af waarom deze man zo nodig moest worden vervolgd en wat het belang daarvan is. Maar des te bevredigender was het dat hij werd vrijgesproken.